“Een zwarte kip” kwam op een dag zomaar aanlopen bij mijn vader van 82. Hij bleef, tot hij vorige week door een wolf werd doodgebeten. Mijn vader vond hem aartslelijk, maar voerde hem elke dag. Uiteindelijk haalde hij er zelfs een maatje bij. Alleen is ook maar alleen.
Mijn vader, altijd een harde boer geweest, is zichtbaar geraakt. Boos, maar ook neergeslagen. En dat raakt míj weer.
Onder het genot van appelgebak met slagroom (ons terugkerende uitje) zegt hij dat er eens iets aan gedaan moet worden. Maar Brussel doet niks, ze laten 56 wolvenroedels in Nederland toe, en daar hoort deze wolf bij.”
Ik luister in stilte. Pas geleden sprak ik nog met vrienden: “Wolven zijn goed voor de biodiversiteit.” Daar kan ik me in vinden.
Maar dan hoor ik mijn vader over zijn ‘aartslelijke’ zwarte kip. De kip waar hij stiekem toch gek op werd, en die er nu ineens niet meer is. Dan merk ik toch hoe snel mijn mening kan kantelen.
Mijn vader gaat hard achteruit en voelt zich vaak eenzaam. En als iets hem raakt, dan raakt het mij ook. Misschien klopt het helemaal, dat wolven goed zijn voor de natuur. Maar als het zó dichtbij komt, denk ik ook:
“Laat het alsjeblieft aan het deurtje van mijn vader voorbijgaan, doe er iets aan!”
Herkenbaar?