“Boer spietst dief aan hooivork.” Zo’n tien jaar geleden begon het item in het Tv-programma ‘Opsporing Verzocht’ met deze headline. Die boer, dat is mijn vader. Ik hoorde hem op TV zeggen dat hij, met het pistool op zijn hoofd, dacht dat zijn leven voorbij was. Het raakte me zo, ook omdat hij dit niet aan mij had verteld. Hij wilde me niet tot last zijn.
Pas maanden later, toen alle commotie voorbij was, vertelde hij meer over dat moment. Dat zijn leven razendsnel aan hem voorbijging en dat hij dacht: “Ik heb een mooi leven gehad, ik heb er vrede mee als het hier eindigt.” Het voelde zo vreemd om mijn vader dit te horen zeggen.
De overval was echter een omslag voor hem, er kwamen camera’s en ijzeren rolluiken. Hij wilde het niet echt toegeven, maar het had hem bang gemaakt. Hij was met een pistool bedreigd, handen op zijn rug met duct tape en op bed gelegd. Daarna was de dief gevlucht.
Gelukkig had de dief de slechtste kwaliteit duct tape gekocht bij de Bouwmarkt, dus mijn vader kon zich losmaken. Je verzint het niet, maar de dief kwam terug. Hij had zijn pistool op het bed laten liggen, waarop mijn vader de hooivork pakte en hem in zijn been prikte. Twee jaar daarvoor had hij, vanuit een soort intuïtief gevoel, bedacht dat de hooivork in de slaapkamer moest staan.
Nu zijn we jaren verder. Zijn kwaliteit van leven is hard achteruitgegaan (Parkinson en opkomende dementie). “Het is goed slecht. Helemaal niet erg als het allemaal voorbij zou zijn, dit is geen leven.” Hoor ik hem nu zeggen als ik vraag hoe het met hem gaat.
Vorige week liep ik de slaapkamer in en zag de hooivork staan. En ik dacht: “Hij heeft een mooi leven gehad. Zou het misschien fijner voor hem zijn als hij ’s ochtends niet meer wakker wordt”. Tegelijkertijd schrik ik daar van. Mag ik dit wel denken?